Posts tonen met het label parodie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label parodie. Alle posts tonen
zaterdag 17 mei 2014
de uitvaart
De uitvaart van 'het maatschappelijk draagvlak voor de kunst' en van 'Nederland als centrum van de wereld' had ik gemist. Maar het afscheid van 'onze postkoloniale schuldgevoelens' kon ik niet missen. Daar moest ik bij zijn. Dat deze serie uitvaarten door Dries Verhoeven zijn bedacht werkte als een extra aansporing om deze vooral niet te missen. Zijn voorstelling U bevindt zich hier (2007) maakte veel indruk op me.
Kunnen idealen sterven? Kan een geloof begraven worden? De linkse kerk is in een paar decennia door de slopershamer met de grond gelijk gemaakt. Solidariteit, mensenrechten, gelijke kansen voor iedereen, een rechtvaardige wereld; wat is er nog over van deze idealen? De voorstellingencyclus de uitvaart gaat over het verscheiden van deze linkse kerk en lijkt vooral bedoeld om de uiteengeslagen kudde (oud)gelovigen van deze ooit zo bloeiende kerk een hart onder de riem te steken. Het is een ironische vorm van rouwverwerking. Ironie met een serieuze ondertoon.
Ik kocht op verzoek van de rouwadvertentie een bos bloemen, -een bos rozen maar liefst want de postkoloniale schuldgevoelens zijn me dierbaar-, en ging in het zwart naar de Willibrordkerk. Er stond al een groepje mensen te wachten tot we naar binnen mochten, de meesten in het zwart. Ik raakte in gesprek met een vrouw van rond de 60, met het verdrietige gezicht van een mopshondje. Haar vader had in een Jappenkamp gezeten, vertelde ze me nadat ik haar verteld had over het Indië-veteranenverleden van mijn vader. We hadden het erover in hoeverre postkoloniale schuldgevoelens heilzaam zijn. Ik vertelde dat ik er nogal aan hechtte omdat het iets lekkers heeft, het zwelgen in schuldgevoel. Verder is dat schuldgevoel omdat het zo verantwoord is, verbonden met een gevoel van morele superioriteit. Ook lekker. Dubbel genieten dus.
Maar omdat ik écht genot wil en niet de geperverteerde vorm daarvan, zelfkastijding, mag dat gecultiveerde schuldgevoel wat mij betreft begraven worden. Het lijkt me beter om te kijken naar wat er nu mis gaat dan te blijven hangen in het verleden. Hoewel enig historisch besef geen kwaad kan. Maar me schuldig over het koloniale verleden van Nederland voelen? Alhoewel, zijn we met het begraven van de postkoloniale schuldgevoelens niet ook tegelijk ons geweten aan het begraven? Ons historisch besef?
Dit soort vragen komen op tijdens de uitvaartmis. De postkoloniale schuldgevoelens worden als een overleden persoon herdacht. De postkoloniale schuldgevoelens worden met wijwater besprenkeld en bewierookt. De mis is een parodie op een katholieke mis. Wij, de kerkgangers, worden geacht mee te zingen en mee te mummelen op teksten uit een liturgie. Ik besluit om met de gemeente mee te doen, om eens te zien wat de uitwerking is. Dat geeft ongemakkelijke momenten. Ik hoor mezelf het volgende gebed uitspreken:
Eer aan het Hollands welvaren
en vrede op aarde aan de mensen die haar dragen
Wij loven U, wij prijzen en aanbidden U,
Wij verheerlijken U en zeggen U
dank voor ons welzijn.
Hollandse handel, hemelse Koning, almachtige Vader,
En aan uw zoon, de pragmatische blik
Gij die wegneemt ons paternalisme, ontfermt u over ons;
Gij die wegneemt onze goede bedoelingen, aanvaard ons gebed;
Want Gij alleen zijt de Heilige.
Gij alleen de Heer.
Gij alleen de allerhoogste.
Met de Hollandse handelsgeest in de heerlijkheid.
Amen.
Halverwege dit gebed krijg ik de woorden niet meer uit mijn strot en ik zie tot mijn ontzetting hoe de grote meerderheid van de 'kerkgangers' deze tekst ogenschijnlijk zonder enige sporen van gewetensnood voor zich opdreunt. Zo werkt dat dus. Zet de mensen in kerkbanken met een tekstvel voor hun neus en weg is het vermogen tot kritisch denken. Of zijn we zo cynisch geworden dat we hier de humor van inzien?
De uitvaartmis is een verwarrende mis, want behalve het nieuwe credo van het marktdenken, Balkenende's VOC-mentaliteit, is er ook het oude credo, het geloof in het links-geëngageerde schuldgevoel:
Ik geloof in onze schuld, de almachtige schepper van liefdadigheid,
Ik geloof in de misdaad van de 17e eeuw,
Mij bedroeft de winst op koffie,
op chocolade en tabak.
.....
Tijdens de dienst kijk ik om me heen en ik bedenk dat deze prachtige kerk voor mij een museum is, met prachtige kunstvoorwerpen. Ik ben een buitenstaander, een ongelovige. Deze mis, valt me in, is een postchristelijke mis, een mis voor ongelovigen die alleen nog door middel van ironie zich kunnen overgeven aan het collectieve ritueel van een mis. Ik voel daarover een lichte spijt .
Het heeft iets van een Droste-effect, deze toneelmis: een geloofsartikel van de linkse kerk wordt in een katholieke kerk, in een parodie op een mis, uitgeleide gedaan. Het is ook een paradox: volgens mij begraven we het postkoloniale schuldgevoel juist omdat we er nog steeds in geloven. Dat is de paradox van deze mis: het postkoloniale schuldgevoel is dood, leve het postkoloniale schuldgevoel!
De mis is een eigenaardige mix van oprecht postkoloniaal berouw en hypocriete vergoeilijking van dat koloniale verleden. De dominee haalt de Profeet Habakuk van stal die spreekt over de Babyloniërs die het Joodse volk ontvoerden. Vroeger bestond dat dus ook al, imperialisme en uitbuiting. Hadden de Babyloniërs later hun misdaden met ontwikkelingshulp afbetaald? Dan waren wij nog niet eens zo slecht.
Noraly Beijer (als nabije familie van het koloniale schuldgevoel) geeft acte de presence met een mooie voordracht van een monoloog uit de Hamlet. De oom van Hamlet, inmiddels koning van Denemarken, heeft berouw van de moord op zijn broer, de rechtmatige koning. Maar, zo zegt hij, hoe is er vergeving mogelijk voor deze misdaad als ik blijft vasthouden aan de vruchten ervan? Die mogen wij, het rijke westen in onze zak steken. Noraly Beijer... hoe lang is dat al geleden! En in wat voor ander Nederland was zij nieuwslezeres...
We staan voor de kist, nadat deze naar zijn rustplaats is gebracht. Er wordt zand op de kist gegooid. Een groep Surinaamse mannen en vrouwen zingt liederen. Omdat ik de taal niet versta en de liederen niet mee kan zingen voel ik me buitengesloten. Voor jullie was het anders, denk ik. Jullie waren slachtoffers. Het is een primitief mechanisme, identificatie. Ik voel me plotseling als een NSB-er die niet mee mag doen met de dodenherdenking; een ongemakkelijk gevoel.
Na afloop van de uitvaart is er koffie met cake. Ik condoleer een studieus uitziend meisje en vraag hoe het met haar postkoloniale schuldgevoel zit. Dat blijkt ze niet te hebben. Wel een ander schuldgevoel want ze is Duitse. Ze studeert musicologie, haar afstudeeronderwerp is Taiwanese indie-pop. We hebben het over de Duitse Vergangenheitsbewältigung en het gebrek aan historisch besef in Nederland. Ik vertel haar over het Nederlands Scheepvaartmuseum waar ik tot 2005 werkte en waar in die tijd met veel trots de VOC-geschiedenis werd tentoongesteld en waar op maar een paar panelen ergens achteraf in een nisje de West-Indische compagnie, de slavenhandel aan bod kwam. Ik haal de zwarte piet-discussie aan als voorbeeld van de Nederlandse onwil om kritisch naar zijn eigen cultuur te kijken. Ze vertelt me dat ze heel verbaasd was over het nationalisme dat de Nederlander ongegeneerd tentoonspreidt tijdens Koninginnedag, -ondenkbaar in Duitsland- en dat ze, toen ze net in Nederland gekomen was, de film 'Alles is liefde' zag en geschokt was over de Sinterklaasscène in de film waarbij de Sint voor de grap zegt dat de zwarte pieten onze slaven zijn. In de film vindt iedereen dat een toffe grap. Ik heb de film ook gezien maar kan me deze grap niet herinneren. Kennelijk verdrongen. In Duitsland wordt Nederland onder studenten nog altijd als een open en tolerant land aangeprezen.
We zijn als enigen overgebleven in de zaal. Met veel kabaal worden de koffiekopjes in kratten gegooid.
We gaan naar een kroeg waar we tussen de brallende studenten ons aan elkaar verstaanbaar proberen te maken. We voelen ons twee buitenaardse wezens. Op een gegeven moment gaan we naar buiten en nemen als verre familie afscheid: tot de volgende uitvaart.
Labels:
gemeenschap,
ironie,
parodie,
post-koloniaal,
ritueel
donderdag 1 mei 2014
kwajongensvernuft
Het
werk van het kunstenaarsduo Fischli en Weiss heeft iets
cartoonesk. Een kinderlijk plezier in het maken -en het vernielen-
van dingen. De inventiviteit van Buurman
en buurman.
Dat geldt voor hun meest bekende werk, Der
Lauf der Dinge,
een half uur durende kettingreaktie van rollende autobanden,
spectaculaire chemische reakties en veel vuur. Deze tour
de force wordt
wel vergeleken met een Rube
Goldberg-machine,
naar de cartoonist die bekend is van zijn ingewikkelde machines die
iets simpels uitvoeren.
uit
de serie: Airport
|
Cartoonesk
is ook hun parodie op een krimi, Der
geringste Widerstand,
een korte film vol knullige special effects, waarin ze als
detectiveduo, Rat en Beer, een moord in de kunstwereld oplossen. Ze
spelen twee klunzen die zich met geweld binnendringen in de
kunstwereld, niet gehinderd door enige kennis van zaken maar wel vol
snobistische vooroordelen. De kunstwereld wordt op de hak
genomen. Het getuigt van zelfspot om in de film twee brutale snobs te spelen. De film is behalve grappig, poëtisch. Dat blijkt tijdens een scene waarin ze
staan voor het zwembad van een huis (van een kunstverzamelaar) waar
ze binnengedrongen zijn. We horen ineens een zwoele
vrouwenstem: 'Hallo
is jemand da? Ich bin das gepflegte Leben, die Eleganz... Du kennst
mich gut. Ich bin der Tanz und die Extase. Aber auch das Ausschlafen
und Liegenbleiben. Ich bin die Schönheit
und der Stil. Ich bin die nicht enden wollenden Gartenparty. Ich bin
der Champagner aus dem Damenschuh. Der Napf aus dem du frisst. Ich
bin die Freiheit mit der du spielst.. Ich bin das Vergnügen ohne
Grund. Ich bin die Zeit die zur Ferfügung steht. Ich bin der
geringste Widerstand...' Op
de achtergrond klinkt weemoedige pianomuziek. De
raadselachtige monoloog van de vrouw is op te vatten als kunstzinnig
manifest. De muze spreekt. Of de geest van de muze? Met dit poëtisch intermezzo doorbreekt
het duo eens temeer de conventies van de krimi. Natuurlijk ís dit
geen echte krimi, de verhaallijn is te absurd en ook de karakters passen eerder in een Jiskefet-parodie. Verder zijn de dialogen
bij vlagen te filosofisch, gaan teveel over kunst. De krimi is een vorm waarin
Fischli en Weiss de wonderlijke fabel vertellen van de zoektocht
van twee anti-helden (cq. zichzelf) naar het geheim van de kunst.
Over
Fischli en Weiss wordt vaak gezegd dat hun werk gaat over het
alledaagse, het banale, -en er is zeker fascinatie voor het alledaagse-, maar Der geringste Widerstand laat vooral zien hoe het banale en het sublieme bij Fischli en Weiss met
elkaar vervlochten zijn.
Hun vrolijke anarchisme roept herinneringen aan Dada op. Toeval of niet, zowel Dada als Fischli en Weiss komen uit Zwitserland.
Hun vrolijke anarchisme roept herinneringen aan Dada op. Toeval of niet, zowel Dada als Fischli en Weiss komen uit Zwitserland.
De
vreugde van het nabootsen is
een constante in hun werk. Dat is duidelijk zichtbaar in de
postapocalyptische openingsscene van Der
geringste Widerstand. We
zien de camera gaan over een op schaal nagebouwde Amerikaanse stad,
opzettelijk klungelig nagemaakt, duidelijk van karton. Dreigende muziek zwelt aan. De camera zoomt in op een enkel verlicht raam van een flat. Een telefoon rinkelt. We bevinden ons in het appartement van Rat die in bed ligt.
Een ventilator blaast lucht in zijn gezicht. Een grote spin hangt van
het plafond boven het bed te bungelen. Het avontuur kan beginnen. Een dubbele nabootsing: de maquette als nabootsing van een Amerikaanse stad en de nabootsing van de kunstgrepen van een krimi.
Vanuit de stadsjungle naar de natuur. Een niet-opgemaakt bed is met een paar ingrepen omgetoverd in een berglandschap. Banaal en subliem in één oogopslag. Kijk eens hoe prachtig dramatisch de belichting is. En hoe het kussen rechts de Matterhorn lijkt voor te stellen. Verwijst ook naar alpenkitsch. Moet denken aan de berglandschappen die ik als kind boetseerde van een bord met boerenkool, jus en plakjes worst. En natuurlijk aan de kabelbanen die mijn broer Ruurd door het hele huis liet lopen.
Vanuit de stadsjungle naar de natuur. Een niet-opgemaakt bed is met een paar ingrepen omgetoverd in een berglandschap. Banaal en subliem in één oogopslag. Kijk eens hoe prachtig dramatisch de belichting is. En hoe het kussen rechts de Matterhorn lijkt voor te stellen. Verwijst ook naar alpenkitsch. Moet denken aan de berglandschappen die ik als kind boetseerde van een bord met boerenkool, jus en plakjes worst. En natuurlijk aan de kabelbanen die mijn broer Ruurd door het hele huis liet lopen.
![]() |
| In den Bergen |
Het
plezier in het nabootsen, het parodiëren, is ook te zien in de
Wurstserie, het eerste werk van het duo. Onder andere branden, auto-ongelukken
en modeshows worden hier met aanstekelijk plezier nagespeeld met worsten. Als je dit ziet weet je: zonder de TV met zijn bombardement aan nieuwsbeelden was dit werk ondenkbaar. Ik vind onderstaande foto erg ontroerend. Waarom? Ineens zie je hoe kwetsbaar onze wereld is. Van karton, satéprikkers. Het noodlot is een baldadig, spelend kind. Het lachwekkende maakt het extra ontroerend. Het is wreed en intiem.
![]() |
| uit de Wurstserie |
Dezelfde aanstekelijke mengeling van dramatisch en melig heeft de serie Plötzlich diese übersicht. Hierin worden uiteenlopende taferelen, opzettelijk knullig, in ongebakken klei nagebootst. Zie onderstaande scene. Het zou een Fokke en Sukke cartoon kunnen zijn. De serie lijkt een soort catalogus van anti-emblemata
Mick
Jagger en Brian Jones, helemaal bevredigd nadat ze 'I can't get
no satisfaction' gecomponeerd hebben.
Dat catalogus-achtige heeft zeker ook de serie Sichtbare Welt. Deze fotoverzameling is een encyclopedie van beelden. Een poging om de gehele wereld in een beeldarchief te ordenen.
De rol van de zwaartekracht. Zowel letterlijk als figuurlijk speelt een aantal van hun werken met de zwaartekracht. In letterlijke zin is dat het geval bij de Lauf der Dinge, en meer indirect bij de fotoserie Airports. (bij deze laatste is er een link naar de nagespeelde kleitaferelen). De serie equilibres, waarbij de meest banale gebruiksvoorwerpen geassembleerd zijn tot halsbrekende evenwichtsconstructies. |
equilibre
|
De tegenstelling zwaar-licht krijgt een nieuwe betekenis in hun serie Tate, waar ze hun complete atelier schaal 1:1 nagebouwd hebben, -met maniakale precisie nagemaakt-, van beschilderd tempex. Ik zag deze installatie in 1993 in het museum Boymans van Beuningen. In combinatie met de installatie Fragen. Geprojecteerde vragen op een muur in een donkere zaal. (Waarom gebeurt er nooit niets? Zijn er geen grenzen aan het onmogelijke? Leeft de vrijheid? Zou er uit mij iets anders hebben kunnen worden? Is mijn domheid een warme mantel? Zou ik een goede Japanner zijn?) De combinatie van deze vragen-installatie met het minutieus nagemaakte atelier heeft iets droomachtigs, je wordt ondergedompeld in een onwerkelijke sfeer, een sfeer van ondragelijke lichtheid.
De wereld is bij Fischli en Weiss het decor van een filmset, een verzameling miniatuur theaters, een playmobiel spel, een speeltuin voor chaos en entropie, een hallucinerende beeldengalerij, een koortsachtige droom: dramatisch, lachwekkend, poëtisch en vergankelijk.
'En plotseling kan dan pop en bal/ laat herinnerd u laten weten/ dit was ik en dat was het heelal.' (Lucebert: Poëzie is kinderspel)
Labels:
catalogus,
de muze,
inventiviteit,
kunstwereld,
nabootsing,
panoramisch,
parodie,
Rube Goldberg-machine,
schaalmodel
Abonneren op:
Posts (Atom)






